tegenwoordigetijdsvorm
De tegenwoordigetijdsvorm is de present tense van het Nederlands. Zij geeft aan dat een handeling in het heden plaatsvindt, gewoonlijk gebeurt of als regelmaat geldt. In literaire en journalistieke teksten kan de tegenwoordige tijd ook worden gebruikt om gebeurtenissen in het verleden als historisch present te beschrijven.
Bij regelmatige werkwoorden wordt de tegenwoordige tijd meestal gevormd vanaf de stam van het infinitief. Voor
Onregelmatige werkwoorden veranderen in de tegenwoordige tijd vaak opvallend. Enkele veelvoorkomende voorbeelden:
- zijn: ik ben, jij bent, hij is, wij zijn, jullie zijn, zij zijn.
- hebben: ik heb, jij hebt, hij heeft, wij hebben, jullie hebben, zij hebben.
- kunnen: ik kan, jij kunt, hij kan, wij kunnen, jullie kunnen, zij kunnen.
- gaan: ik ga, jij gaat, hij gaat, wij gaan, jullie gaan, zij gaan.
Het gebruik van de tegenwoordige tijd is veelzijdig. Ze beschrijft wat nu gebeurt, wat doorgaans gebeurt, of
Een speciale nuance is het historisch present, waarbij de tegenwoordige tijd wordt ingezet om gebeurtenissen uit